Moeilijke beslissingen en knotsgekke resultaten

Na de 3-daagse toer van Chili naar de hoogvlaktes in Bolivia krijg ik bij aankomst in Uyuni een kleine inzinking. Weer een nieuw land – deze keer terug meer basic – en weer een hotel zoeken… ik heb er effe geen zin in! Bovendien zijn we drie dagen in gezelschap geweest, moeten we nu weer afscheid nemen en zijn we weer met zijn twee alleen. Ik zet mij op een bank terwijl Bart op verkenning gaat. Een uur later kan ik mij dan toch bijeen rapen en vinden we een café met internet om een hotel te zoeken. In het hotel gooien we onze spullen neer en zoeken we iets om te eten.

De volgende ochtend slapen we lekker uit, ontbijten in het hotel en pakken daarna onze zakken weer in om de bus naar Potosi te nemen. Bij het busstation vernemen we dat er blokkades zijn en dat er vanmiddag geen bus gaat. Allé lap, dag 1 in Bolivia en we hebben al te maken met de beruchte wegblokkades. Ze verwachten wel dat ze om 19u kunnen rijden, maar dat betekent dus dat we midden in de nacht zullen aankomen. Dan maar terug naar de hostel om daar te wachten. Bart gaat even later dan de tickets kopen voor deze avond, maar is snel alweer terug en blijkt toch een bus gevonden te hebben die deze middag vertrekt. In plaats van 3 uur doet deze bus er wel 6u over, omdat ze dus gewoon off-road gaat om de blokkade te vermijden. We vertrekken dus uiteindelijk in deze bus (stel je een oude zigeunerbus voor van 20 jaar geleden) die werkelijk door het midden van de woestijn en bergen rijdt – laten we zeggen dat het vrij hobbelig was. Twee keer moesten we zelfs uitstappen omdat de bus vastzat in het zand. Grappig!

Maar uiteindelijk komen we dus goed aan in Potosi, dat de hoogste stad ter wereld claimt te zijn (4090m). Als je hier een heuveltje op moet wandelen, heb je het wel geweten hoor. De eerste nacht slaap ik nog goed, maar de tweede nacht word ik vaak happend naar adem wakker.

Potosi is gekend omwille van de Cerro Rico – de rijke berg – die vroeger vol zilver zat. In de koloniale tijden hebben de Spanjaarden hier zoveel zilver uitgehaald dat ze zogezegd een brug van hier tot Spanje konden bouwen met al het zilver en nog genoeg hadden om erover te vervoeren. Zeggen ze hé. De berg zou zelfs een aantal honderd meter ‘kleiner’ geworden zijn door al het zilver dat eruit gehaald is! Wat zeker is, is dat al het zilver Spanje indertijd erg rijk gemaakt heeft en de stad Potosi was ook erg rijk natuurlijk. Getuige daarvan zijn de vele mooie gebouwen en kerken in de stad.

Aan iedere medaille ook een keerzijde natuurlijk: De berg staat ook bekend als: ‘the mountain that eats men’. Brrr… Geschat wordt dat in de hele geschiedenis al zo een 8 miljoen mannen gestorven zijn in de berg. De meesten natuurlijk als slaven in de koloniale tijd – indigina + afrikaanse slaven. Indertijd moesten sommige mannen tot 6 maanden onafgebroken in de mijn werken én leven. Als ze terug boven kwamen, moesten hun ogen werden afgedekt tegen het licht.

Ook tegenwoordig sterven er nog jaarlijks mijnwerkers door een ongeluk. Hoewel de mijn bijna ‘leeg’ is, werken er toch nog 10.000 mijnwerkers in de hoop op een goede vondst. Gemiddeld verdienen ze een 300 € per maand, wat meer is dan het minimumloon van 145€. Ook jongeren werken er nog steeds; een halve dag gaan ze naar school, de rest werken ze in de mijn. Vrouwen mogen niet in de mijn werken, dat zou ongeluk brengen. Oef!

De Cerro Rico – beroemd en berucht… Dé belangrijkste thing-to-do voor toeristen is dan ook een uitstapje naar het hart van de berg, een kijk in de donkere gangen die door de berg kronkelen en een babbel met de mannen die er werken. Een ‘doet-ie-het-of-doet-ie-het-niet?’ vraag voor iedereen die je tegenkomt: ben je al geweest – ga je gaan? Dagelijks buldert de berg van de dynamiet die er wordt afgestoken en op internet vindt je verslag van bedwelmende walmen in de gangen. Niet meteen een ‘leuk’ uitstapje… en toch trekt het aan.

Voor mij bestaat de twijfel uit: claustrofobische gangen, vol gevaarlijke gassen en stoffen (asbest o.a.), op grote hoogte waar het sowieso al moeilijk ademen is en die ieder moment kunnen instorten door een misgeplaatste dynamiet. Deelname op eigen risico natuurlijk. To do or not to do – die vraag spookt de eerste twee dagen in Potosi toch wel door ons hoofd.  

Maandagavond komen we uit Uyuni aan, de rest van de avond zoeken we met een mede-busreiziger Simon een gezellige plek om te eten. Het wordt een Frans restaurant met heerlijke pasta zeevruchten… in de bergen in Bolivia. Bart heeft altijd commentaar als ik iets vis bestel – der is toch geen zee hier in de buurt – maar het is nog nooit tegengevallen.

Dinsdag nemen we de tijd om te acclimatiseren op deze hoogte en bezoeken we het museum waar vroeger zilveren munten geslagen werden – en waar nu daarnaast ook een rare collectie van Spaanse kinderlijkjes ligt… vreemd samenraapsel! De stad is verder erg mooi om in rond te lopen, de oude spaanse koloniale gebouwen in combinatie met de Boliviaanse levensstijl. We zoeken ook de plaatselijke markt op in ieder stad waar we komen – blijft leuk om in rond te lopen.

Lunchen doen we met quinoa-soep. Ik weet niet of quinoa in België ondertussen al aan populariteit gewonnen heeft, maar in Amerika is dit het nieuwe ‘superfood’. Vroeger nog ongekend en door de plaatselijke bevolking geliefd (groeit alleen op hoogte), maar nu door hen niet meer te betalen, waardoor ze terug moeten vallen op rijst en mais. Allé, fijn wat wij weer veroorzaken!

’s Avonds drinken we een fles wijn leeg met Simon en een Nederlands koppel op het dakterras van ons hotel en daarna gaan we Mexicaans eten samen. Het Nederlands koppel twijfelt net als wij of ze nu de mijnen gaan bezoeken of niet. Wij wilden het nog uistellen tot donderdag, maar dan is het 1 mei en is de mijn gesloten, dus ineens moeten we snel beslissen.

Omdat we toch erg nieuwsgierig zijn en de andere toeristen telkens erg enthousiast na hun bezoek, besluiten we toch maar om woensdagnamiddag ons leven te gaan wagen in de mensenetende berg. Hihi, ik overdrijf nu hoor, zo erg was het achteraf gezien niet. Maar het voelt echt wel spannend en ik ben serieus zenuwachtig. We hebben besloten met een plaatselijk bedrijfje te gaan met (ex)mijnwerkers. Eerst rijden we een stuk de berg op en stoppen we aan de markt, waar je spullen kan kopen om aan de mijnwerkers te geven; frisdrank en cocabladeren, maar ook bvb dynamiet. Vervolgens gaan we naar een plek waar we beschermende kleren, een helm en botten krijgen om aan te trekken. Daarna stoppen we aan de fabriek waar ze de stenen uit de berg verwerken tot hoopjes van zilver, zink en lood. Onze gids haalt uit al dat puin gewoon een steen waar een mini stukje zilver te zien is. We mogen niets aanraken hier, allemaal giftige stoffen.

Daarna rijden we verder naar de ingang van de mijn. Het eerste stuk is een stuk uit de koloniale tijd; de gangen werden hier nog gebouwd uit stenen – veel veiliger. Verderop is dit niet meer gebeurd en zien we enkel nog af en toe houten stuts, waarbij sommige balken ook al doorgebroken zijn. Ingenieurs zijn hier de laatste jaren niet meer geweest, dus ik begrijp niet hoe ze steeds verder de berg kunnen uithollen.

Maar ik vertrouw erop dat ze min of meer weten wat ze doen en dat ze ons niet de meest gevaarlijke gangen in sleuren. Na de eerste meters in de berg is het al volledig donker. Gelukkig is de gang niet te smal of te laag, zodat het niet beklemmend aanvoelt. Ook de lucht voelt vrij zuiver, gelukkig. Na een korte wandeling moeten we ineens allemaal heel snel tegen de muur gaan staan, want er komt een kar met puin naar buiten. Deze karren wegen een ton en hebben geen remmen, dus je kan beter niet op de sporen gaan staan! De mijnwerkers moeten op sommige stukken echt sleuren en duwen aan de karren – echt zwaar werk!! Wij vormen dan ook een welkome pauze, en ze weten dat we drank of coca bladeren bij hebben, wat ze gretig aannemen.

Terwijl we verder de berg intrekken, komen we regelmatig zo karren tegen. Het is een rustige namiddag (morgen hebben ze vrij) en gelukkig horen we geen dynamiet ontploffen. Eigenlijk valt het allemaal nog reuze mee en voelen we ons niet echt onveilig. Alleen de lage gangen zijn soms lastig om te wandelen, maar dat is het ook. Misschien is het ook een beschermingsmechanisme om niet aan rampscenario’s te denken als je doorgebroken balken ziet of zo?

We komen ook jonge gasten tegen, tegen de 13 – 14 – 15 jaar, ik weet het niet goed, want ze zijn beschaamd om hun leeftijd te zeggen. Ik moet er niet aan denken hoe de longen van deze gastjes er over een paar jaar uitzien. De meeste mijnwerkers worden ergens in de 40 jaar oud en dat weten ze maar al te goed. Ze werken hier dan ook niet voor hun plezier!!

De berg bestaat uit ontelbaar mijnschachten en iedere mijn heeft ook zijn Tio – een soort god die ze aanbidden die veel weg heeft van de duivel. Buiten de berg aanbidden ze God, in de berg wordt El Tio aanbeden. Iedere week moeten ze offers brengen: coca bladeren, sigaretten, alcohol (96%),… en vragen ze om bescherming en om goede mineralen. Ook wij stoppen hier even.

Verderop hangen er nog vlaggetjes en slingers van carnaval – een vreemde combinatie met de giftige stoffen (in mooie kleurtjes!) die weer in andere gangen te zien zijn.

Hoewel ik me niet echt op mijn ongemak heb gevoeld, ben ik toch blij dat we weer buiten zijn. En nog gelukkiger dat ik of niemand van mijn geliefden hier hoeft te werken. Ik zou het bijna mensonterend noemen – dit zijn echt geen moderne mijnen, dit is een plek waar de tijd stil is blijven staan en waar jonge mensen hun leven laten om toch maar iets comfortabeler te kunnen leven en in de hoop op een Lucky Day. Triestig verhaal eigenlijk!

Dat was dan moeilijke beslissing nummer 1. En jullie weten hoe moeilijk ik het al vind om beslissingen te nemen!! En dan is er ook nog beslissing nummer 2: gaan we wel of niet naar het Tinku festival?!

Bij het lezen van de Lonely Planet was ik hier al iets over tegengekomen, maar niet veel aandacht aan besteed. Tot het Nederlandse koppel vraagt of wij naar het Tinku festival zullen gaan. Hmm, toch eens bekijken, want het klinkt wel als een authentiek iets.

Tinku – volgens Wikipedia: a local combat ritual and agricultural fertility rite. Na even googlen blijkt het dus een festival te zijn waarbij er op een rituele manier gevochten wordt. De vrouwen vormen een cirkel en mannen van verschillende gemeenschappen vechten met elkaar, een tegen een. Het bloed dat vloeit is een offer voor Pachamama (moeder aarde) en betekent een goede oogst voor volgend jaar. Tegelijk is het ook een mogelijkheid om frustraties tussen gemeenschappen uit te vechten eenmaal per jaar. Tot zover de theoretische uitleg…

De tour die we konden boeken zou ons naar een plaatselijke (arme) boerengemeenschap brengen waar we ook zouden slapen. De organisator waarschuwt ons dat het heel basic is, maar slechts voor één nacht. We zouden de voorbereidingen kunnen zien en op zondag het gevecht zelf. Voor de rest is er ook niet veel info te vinden, het festival is nog niet mega populair bij de toeristen.  Behalve het basic aspect, is er natuurlijk het gevecht… en ik heb echt geen zin om mensen vermoord te zien worden!

Dus een dilemma: het echte Bolivia zien met oeroude tradities in een dorp in de bergen: Ja! Ik loop al weken te zagen dat we het toeristenpad volgen en het échte land niet te zien krijgen. Dus dit is de ideale kans. Maar ik weet ook hoezeer ik het haat om op de grond te slapen, in de kou. En ik weet niet hoe ik zal reageren op lama offeringen en zware vuistgevechten. We weten gewoon niet wat we kunnen verwachten, dus lopen we weer een paar dagen te twijfelen of we zullen gaan of niet. Ik probeer andere toeristen te overtuigen om mee  te gaan – gedeelde smart… maar dat lukt niet echt. Op de mijntoer leren we uiteindelijk de Nieuw Zeelander Phil kennen, die besluit om wel mee te gaan. Allé dan, dan zullen wij het ook maar wagen zeker!

Het verslag van dit avontuur heeft Bart voor een keer geschreven – slechts 8 blz lang :-)

Ge kunt u al indenken dat het een heel avontuur was. Maar omdat deze blog anders te lang zou worden, zal ik het verhaal van Bart in een tweede aparte blog posten.

Nadat we zondagavond terugkomen van Macha, kruipen we meteen ons bed in en halen de verloren slaap een beetje in. Maandag nemen we tegen 11u een bus die ons naar Sucre brengt.

Sucre is door Unesco erkend omwille van de koloniale huizen, kerken, kloosters en het feit dat alle gebouwen in de binnenstad wit geschilderd zijn. Het is ook de officiële hoodstad van Bolivia en niet La Paz zoals iedereen denkt.

Als ik maandag opsta, voel ik me al niet helemaal geweldig. Maar na een ibuprofen en een douche gaat het al wat beter. Maar na 10 min op de bus, begin ik me opnieuw slecht te voelen. Bart ziet al flauwvalscenario’s à la India passeren. De busrit is dan ook nog slingerend door de bergen, niet bevorderlijk voor misselijkheidsaanvallen. Enfin, met heel hard mijn ogen dicht te pitsen en te bidden, kom ik toch levend aan in Sucre, waar ik meteen in de hostel crash. Gelukkig is het een toffe hostel met het nodige comfort, ideaal om uit te zieken. Geen idee wat er precies scheelt, maar ik liep al een aantal weken rond met een verstopte neus, waarschijnlijk door de hoogte. En het Tinku weekend zal er geen goed aan gedaan hebben. Dus dag 1 en 2 in Sucre lig ik in bed met koorts, om op dinsdagavond toch maar mijn meegebrachte antibiotica boven te halen. Dag 3 heeft Bart het zitten, dus nog maar een dagje thuisblijven dan :-)

Dag 4 – donderdag 8 mei – weer een jaartje ouder. En gelukkig voelen we ons alle twee weer goed genoeg om eindelijk iets van de stad te gaan zien. We wagen het ook om op de markt onze geliefde verse fruitsapjes te gaan drinken en de plaatselijke specialiteit chorizo te eten. We wandelen wat rond, gaan dan terug rusten en wandelen weer wat rond. We zoeken ook een tourtje om dit weekend te gaan doen. In de namiddag bezoeken we het museum van de vrijheid. ’s Avonds eten we in een Belgisch restaurant: nacho’s, friet met hamburger en brownie. Een echt feestmaal: de beste frieten die we al aten op de reis. Maar de brownie is het niet echt: geen goede chocolade hé, hoewel Sucre bekend staat om zijn chocolade. Pas wanneer je niet meer in België bent, weet je hoé goed onze Belgische chocola is!! Another day in paradise – zoals Leen op de Facebook zei. Eigenlijk wel; gewoon weer een dagje genieten van alles om je heen. Maar in alle eerlijkheid vier ik het toch liever met vrienden en familie!

De volgende dag wandelen we naar een café dat wat hogerop ligt en van waaruit we een mooi zicht hebben op de stad. Daarna besteden we veel tijd in het textiel museum, want deze streek is gekend om ingewikkeld geweven stoffen.

Voor het weekend hebben we weer 2 dagen eropuit geboekt. Deze keer zijn we maar met ons twee, dus we hebben een privé chauffeur + gids, ook wel es fijn. En deze gids blijkt ook nog eens zeer goed te zijn, heel aangenaam en hij weet veel.

De eerste dag worden we ’s ochtends opgehaald en rijden we de bergen in naar Chataquila, waar enkel een kapel staat ter ere van een steen, waarvan de mensen geloven dat het een Maagd Maria steen is. Van hieruit gaat er een oud Inca pad naar beneden dat we gedurende ongeveer 2 uur volgen. Inca trails vind je op meerdere plaatsen in Latijns Amerika, niet enkel op de weg naar Machu Pichu. Ik dacht dat het gewoon bospaden of zoiets waren, maar neen, het pad is volledig geplaveid! Slimme mannen die Inca’s!

Als we eenmaal beneden zijn, stappen we terug in de auto en rijden we naar een plekje om te picknicken.  De dames van het reisbureau hebben smos gemaakt en dat smaakt serieus! Daarna rijden we door een mooi golvend landschap (gekleurde bergen, huisjes te midden van velden,…) naar de krater van Maragua. Ook dit is weer zeer indrukwekkend! En hoewel het een krater genoemd wordt, is het eigenlijk een geologische formatie. Als je er middenin staat zie je langs alle kanten de zijden van de ‘krater’ omhoog rijzen. Bij aankomst in het dorpje Maragua blijkt onze slaapplek al ingepikt door een andere groep. Gelukkig weet de gids nog wel iets anders en hebben we toch een bed om in te slapen. Daarna gaan we een kijkje nemen in het dorpje waar een ceremonie aan de gang is voor de inwijding van een nieuwe (gravel) weg. Bart voelt zich meteen thuis tussen de ingenieurs ;-) We zijn de enige toeristen, worden wat schuchter bekeken, maar meteen daarna begroet en verwelkomd met… chicha! Onze favoriete drank! Gelukkig smaakt deze al iets beter dan het drankje bij de boeren, maar we delen wel gewoon één bekertje. Als welkom-signaal is boven de weg een waslijn gehangen met kledij eraan. Geen idee waarom precies. Ik hou mijn camera ook maar in mijn zak, wil ook weer niet de toerist gaan uithangen, we vallen al genoeg op. Steeds een dilemma om bij het meemaken van iets ‘authentiek’: foto’s maken en mensen misschien affronteren of gewoon deelnemen en maar hopen dat je onthoudt hoe mooi het was.

Daarna gaan we even wat rusten, de gids verlangt precies naar zijn siesta (of er is ook gewoon niet veel te doen). In de late namiddag maken we nog even een wandeling met de gids door het dorpje (2 straten groot) en wandelen naar een waterval en opnieuw een Garganta del Diablo. Hier zien we ook een leeg condornest. Daarna wandelen Bart en ik nog even de andere richting uit en stoppen op een pleintje waar 4 kinderen ongelooflijk veel pret hebben met een kapotte voetbal. Zo simpel kon (moet?) het hier zijn. De ouders zitten er naar te kijken en lachen mee. De kinderen liggen echt in het stof te rollen, zo zie je het bij ons niet meer (zoveel stof is er bij ons gewoon niet!).

We krijgen nog gezelschap van een andere groep en moeten onze slaapkamer nu delen. Na het eten gaan we stilaan naar bed, er is hier voor de rest echt niets te doen. Ik lig nog een hele tijd te lezen in bed en heb toch wel last van de kou.

De volgende ochtend wil onze gids vroeg vertrekken om niet in de warme zon te hoeven wandelen. Om 7u ontbijten we en daarna kruipen we in de auto die ons omhoog rijdt naar de kraterwand. We hebben duidelijk voor een luie tour gekozen, want normaal moet je dit wandelen. Voor één keer vind ik het zelfs bijna jammer dat we met de auto gaan, want het is hier echt mooi. Van waar de auto ons afzet wandelen we bijna anderhalf uur door de bergen, waarbij we vaak alleenstaande huisjes passeren. Ook deze trip geeft weer het idee dat we meer van het echte Bolivia zien en niet enkel de steden die door de toeristen worden aangedaan.

We komen aan bij Ninu Mayu, een plek waar afdrukken van dino’s zijn gevonden. Weer een tof iets om te zien! Je ziet duidelijk de afdrukken in de modder precies alsof ze er net nog gelopen hebben! Vroeger was dit de rand van een meer en het zou hier in de bergen vol staan met afdrukken. Gek toch hoor!

Daarna wandelen we nog een uur verder naar een dorpje waar de auto weer staat te wachten met onze lunch. We rijden nog een stukje verder naar Potolo, waar de gids op zoek gaat naar een vrouw die ons kan tonen hoe ze hier weven. Uiteindelijk vindt hij er eentje, die aan een groot stuk bezig is. Op de koer van het huis ligt een hele stapel mais te drogen en in een hoek hangt een dood schaap onderste oven uit te lekken, met de bebloede vacht erlangs.

Daarna trekken we terug naar Sucre, gaan nog snel een hamburger met Belgische frietjes eten en gaan om 17u naar het busstation. Om 18u vertrekt onze nachtbus naar Samaipatha. Voor de eerste keer een Boliviaanse nachtbus en we hebben er allesbehalve zin in! Maar overdag rijden hier gewoon geen bussen over lange trajecten, dus we hebben weinig keuze. De weg schijnt dan ook nog es voor het grootste deel gewoon gravel te zijn en het is echt een gehobbel in alle richtingen! Ik geef het op om te willen slapen en besluit om te lezen zo lang ik kan. Het is ook nog es heel warm (en we hadden koud verwacht) en het raam kan niet open, want dan adem je voortdurend stof in. Om middernacht doe ik toch maar even een poging tot slapen en om 4u worden we gewekt en moeten we snel uit de bus. Gelukkig vinden we een  taxi die ons naar het hotel brengt, waar we de eigenaars uit bed halen en dan zelf nog een paar uur kunnen slapen in een kamer.

We waren naar Samaipatha gekomen voor de natuur – er ligt hier oa een van de beste condor uitkijkplekken – maar eens we er zijn hebben we toch niet zoveel zin om weer een tour te boeken naar een of andere bezienswaardigheid. Maandag en dinsdag spenderen we dus vooral in het hotel, proberen we een vlucht te vinden naar de Galapagos, lezen, eten en rusten. Vooral Bart wordt er zenuwachtig van; ik kan uren in een boek verdwijnen, maar hij is niet zo een lezer. We leren hier wel twee Britten kennen van halverwege de 50 die hun hele leven al mega reizen doen. Gezellig samen wijn drinken en kletsen! Woensdag besluiten we vooraleer te vertrekken dan toch maar eens bij El Fuerte te gaan kijken. Een oud ‘fort’ – eigenlijk tempelcomplex – en heel speciaal omwille van een rots (200 x 60m) die uitgehouwen is. Het is weer heel anders dan alles wat we tot nu toe gezien hebben.

In de namiddag nemen we dan een taxi naar Santa Cruz, de grootste stad in Bolivia. Bevalt ons voor geen meter! Dure hostel uit het centrum, drukke stad, … niet ons ding. Zo snel mogelijk weg hier dus! Woensdagavond hakken we dan toch maar de knoop door en boeken de vlucht naar Quito – Ecuador, in de hoop daar een last minute trip naar de Galapagos te vinden. De vlucht is vrijdagmorgen (16 mei). Donderdag worden we gewekt door politie agenten die onze paspoorten en rugzakken controleren owv een bezoek van de president aan de stad. De rest van de dag is weer lui en het schrijven van de blog neemt het meest tijd in beslag.

Hier vinden jullie alle foto's van deze en volgende blog:

https://picasaweb.google.com/117373307902786764885/VanPotosiTotSantaCruz02?authuser=0&authkey=Gv1sRgCKbV1PfK3unf0gE&feat=directlink

Morgen zitten we in Quito en beginnen we weer een ander avontuur!

Reacties 1

Pierre 16-05-2014 10:12

Al maar goed dat aan jullie lijdensweg nu snel een einde komt....

Reageren

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd

Blijf op hoogte!

Wil je op de hoogte blijven van de belevenissen? Meld je aan voor de mailinglist

Eerdere reisverhalen

Reis blog, ook wel reis webblog genoemd, wordt mogelijk gemaakt door Around the Globe. "Ontmoetingsplek voor en door reizigers". Lees onze Disclaimer